EQ & filters
Met een equalizer maak je frequenties harder of zachter. Het klinkt simpel, maar het is het gereedschap waarmee je een mix van “alles tegelijk” naar “alles op zijn plek” brengt. En het is je belangrijkste wapen tegen feedback.
Wat doet een EQ?
Een equalizer versterkt (boost) of verzwakt (cut) een bepaald frequentiegebied. Je verandert dus de klankkleur, niet de toonhoogte. Drie instellingen bepalen wat er gebeurt:
| Parameter | Wat het regelt | Eenheid |
|---|---|---|
| Frequentie | Wáár je ingrijpt | Hz / kHz |
| Gain | Hoevéél je omhoog of omlaag gaat | dB (meestal ±15 of ±18) |
| Q / bandbreedte | Hoe breed het gebied is dat meegaat | Q-getal of octaven |
Filtertypes
| Type | Wat het doet | Waarvoor |
|---|---|---|
| Peak / bell | Boost of cut rond één frequentie, klokvormig | Gericht ingrijpen: een resonantie weghalen, een instrument laten uitkomen |
| Low shelf | Alles ónder een punt gelijkmatig omhoog of omlaag | Meer of minder warmte in het algemeen |
| High shelf | Alles bóven een punt omhoog of omlaag | Meer lucht/glans, of de scherpte er af |
| High-pass (HPF / low cut) | Laat hoog dóór, snijdt laag weg | Op vrijwel élk kanaal: gerommel, plof, nabijheidseffect |
| Low-pass (LPF / high cut) | Laat laag dóór, snijdt hoog weg | Sub-kanalen, ruis temmen, overspraak beperken |
| Band-pass | Laat alleen een middengebied door | Telefoon- en megafooneffect |
| Notch | Extreem smalle, diepe cut | Feedback wegdraaien, brom van 50 Hz weghalen |
Filtersteilheid
Een high-pass filter snijdt niet als een mes; hij loopt af. Hoe snel, dat is de steilheid, uitgedrukt in dB per octaaf:
- 6 dB/oct (1e orde) — heel geleidelijk
- 12 dB/oct (2e orde) — de standaard op mengtafels
- 18 en 24 dB/oct — steil, vooral in systeemprocessors
- 48 dB/oct en meer — “brickwall”, in digitale crossovers
De opgegeven frequentie is het punt waar het filter 3 dB heeft weggenomen, niet waar het begint te werken. Een HPF op 100 Hz doet bij 200 Hz al een klein beetje.
Q en bandbreedte
Q is een getal dat aangeeft hoe smal je ingreep is. Hoog Q = smal, laag Q = breed.
Voorbeeld: een ingreep op 1000 Hz met een bandbreedte van 500 Hz heeft Q = 2.
| Q | ≈ octaven | Karakter | Gebruik |
|---|---|---|---|
| 0,5 | 2,5 | Zeer breed | Algemene klankkleur, muzikaal boosten |
| 1 | 1,4 | Breed | Body geven of weghalen |
| 2 | 0,7 | Normaal | Standaard ingreep |
| 4 | 0,35 | Smal | Één storende resonantie |
| 10 | 0,14 | Zeer smal | Feedback wegdraaien |
| 30+ | 0,05 | Notch | Brom, exacte feedbackfrequentie |
Cut smal, boost breed. Iets weghalen doe je gericht met een hoge Q — dan hoor je alleen dat het probleem weg is. Iets toevoegen doe je juist breed met een lage Q, want een smalle boost klinkt onnatuurlijk en resoneert. En: een cut klinkt bijna altijd beter dan een boost, omdat je geen extra energie en dus geen extra feedbackrisico toevoegt.
Soorten equalizers
| Type | Kenmerken | Waar |
|---|---|---|
| Vast / fixed | Vaste frequenties, alleen gain regelbaar | Eenvoudige tafels, hoog en laag |
| Semi-parametrisch | Frequentie + gain regelbaar, Q vast | Middenbanden op kleine tafels |
| Parametrisch | Frequentie, gain én Q regelbaar | De standaard op elke serieuze tafel |
| Grafisch | Vaste banden met schuiven, meestal 31 banden van ⅓ octaaf | Monitorwegen, zaal-EQ (analoog) |
| Dynamisch | De EQ werkt alleen als de frequentie boven een drempel komt | Digitale tafels: sissende s'en, resonanties die alleen soms opduiken |
| Lineaire fase | Verandert de fase niet, maar geeft vertraging | Mastering, systeemuitlijning |
Een 31-bands grafische EQ heeft banden van ⅓ octaaf, van 20 Hz tot 20 kHz. De standaardfrequenties zijn: 20 · 25 · 31,5 · 40 · 50 · 63 · 80 · 100 · 125 · 160 · 200 · 250 · 315 · 400 · 500 · 630 · 800 · 1k · 1,25k · 1,6k · 2k · 2,5k · 3,15k · 4k · 5k · 6,3k · 8k · 10k · 12,5k · 16k · 20k Hz. Deze rij herken je overal in de audio — ook op meetapparatuur.
Hoe je EQ't in de praktijk
De sweep-techniek: een probleem opzoeken
- Zet een band op een flinke boost (+10 dB) met een smalle Q.
- Draai langzaam de frequentie van laag naar hoog terwijl het instrument speelt.
- Op het punt waar het echt vervelend gaat klinken — daar zit je probleem.
- Draai de gain nu naar beneden (−3 tot −6 dB) en laat de frequentie staan.
- Zet de EQ even in bypass om te vergelijken. Is het écht beter geworden?
Praktische regels
- Luister eerst, draai daarna. Weet wát je wilt veranderen voordat je iets aanraakt.
- Vergelijk op gelijk volume. Boost je iets, dan wordt het harder, en harder klinkt altijd beter. Compenseer met de output.
- EQ in context, niet in solo. Een gitaar die in solo prachtig klinkt, kan in de mix het hele middengebied dichtsmeren.
- Ruimte maken in plaats van harder zetten. Zit de zang onder de gitaren? Haal 2–4 kHz weg bij de gitaren in plaats van de zang op te krikken.
- Minder is meer. Als je bij elk kanaal 6 dB moet corrigeren, staat je microfoon verkeerd of klinkt de bron niet goed. Los het op bij de bron.
- Bypass regelmatig. Je oor went binnen een minuut aan alles.
Frequentiekaart per instrument
Deze tabel is een startpunt, geen recept. Elk instrument, elke zaal en elke muzikant is anders.
| Bron | Grondtonen | Vervelend | Aanslag / definitie | Typische ingreep |
|---|---|---|---|---|
| Kickdrum | 50–100 Hz | 300–500 Hz (karton) | 2–5 kHz (beater) | +60 Hz, −400 Hz, +4 kHz |
| Snare | 150–250 Hz | 800–1 kHz (blik) | 3–6 kHz (crack) | HPF 120, +200, +5 kHz |
| Hi-hat | — | 500–1 kHz (klonterig) | 8–12 kHz | HPF 300, +10 kHz |
| Toms | 80–250 Hz | 300–600 Hz | 4–6 kHz | HPF 80, −400, +5 kHz |
| Overheads | — | < 300 Hz (bak) | 10–15 kHz | HPF 300, high shelf +2 dB |
| Basgitaar | 60–150 Hz | 200–400 Hz (wollig) | 700 Hz–1 kHz (vingers) | +80, −300, +800 |
| E-gitaar | 150–400 Hz | 300–500 Hz, 2–3 kHz (bijtend) | 2–4 kHz | HPF 100, −400 |
| Akoestische gitaar | 80–200 Hz | 150–250 Hz (boemerig) | 5–10 kHz | HPF 100, −200, +8 kHz |
| Piano | 60 Hz–2 kHz | 300–500 Hz | 5–10 kHz | −400, licht +8 kHz |
| Zang man | 100–250 Hz | 250–400 Hz (dof), 2,5–3,5 kHz (hard) | 3–6 kHz | HPF 90, −300, +4 kHz |
| Zang vrouw | 180–400 Hz | 400–600 Hz, 6–9 kHz (sss) | 4–8 kHz | HPF 120, de-esser 7 kHz |
| Spreekstem | 100–300 Hz | 200–400 Hz | 2–5 kHz (verstaanbaarheid) | HPF 100, +3 kHz |
| Blazers | 150–800 Hz | 1–2 kHz (schetterend) | 5–8 kHz | HPF 120, −1,5 kHz |
| Strijkers | 200 Hz–1 kHz | 2–4 kHz (kras) | 8–12 kHz | HPF 150, −3 kHz |
Van klachtwoord naar frequentie
| Iemand zegt… | Kijk rond… | Doe… |
|---|---|---|
| “Modderig” / “drabbig” | 200–400 Hz | Cut |
| “Kartonnig” / “dozig” | 300–600 Hz | Cut |
| “Neuzelig” / “telefoon” | 800 Hz–1,5 kHz | Cut |
| “Hard” / “schreeuwerig” | 2–4 kHz | Cut |
| “Sissend” | 5–9 kHz | De-esser of cut |
| “Dun” | 100–250 Hz | Boost of HPF lager |
| “Doods” / “dof” | 3–8 kHz | Boost |
| “Geen lucht” | 10–16 kHz | High shelf boost |
| “Onverstaanbaar” | 2–5 kHz omhoog, 300 Hz omlaag | Beide |
| “Boemt na” | 80–160 Hz, zaalresonantie | Smalle cut |
Feedback herkennen en wegdraaien
Feedback (rondzingen) ontstaat als geluid uit een luidspreker terugkomt in de microfoon, opnieuw versterkt wordt, er weer uit komt, enzovoort. Zodra de lus meer dan 1× versterking heeft bij een bepaalde frequentie, loopt hij op tot het systeem het niet meer aankan.
Eerst de oorzaak, dan de EQ
EQ is je laatste redmiddel. Deze maatregelen werken beter en kosten geen geluidskwaliteit:
- Microfoon dichter bij de bron — halveren van de afstand = 6 dB winst.
- Monitor in het dode punt van de richtkarakteristiek zetten.
- Speakers voor het microfoonvlak houden: PA-kasten horen vóór de microfoons te staan.
- Ongebruikte microfoons muten. Elke openstaande microfoon verlaagt je feedbackmarge met ongeveer 3 dB per verdubbeling van het aantal open mics.
- Minder monitorvolume of overstappen op in-ears.
- Reflecterende vlakken achter de zanger wegnemen (glazen deur, harde achterwand).
- Richtkarakteristiek van de microfoon veranderen (supernier in plaats van nier).
Wat piept er?
| Geluid | Ongeveer | Typische oorzaak |
|---|---|---|
| Doffe dreun / “woef” | 80–250 Hz | Zaalresonantie, mic te dicht op de vloer, nabijheidseffect |
| Hol, kartonnig | 250–500 Hz | Mic dicht bij een hard vlak |
| “Oeh” | 500 Hz–1 kHz | Monitor te hard, opstelling |
| Scherpe piep | 1–4 kHz | De meest voorkomende feedback op wedges |
| Fluitje, heel hoog | 4–10 kHz | Te veel hoog op de monitor, condensatormicrofoon |
Ringing out: de monitor vooraf inregelen
- Zet alles klaar zoals tijdens de show: microfoon op zijn plek, wedge op zijn plek.
- Draai de monitorsend langzaam omhoog tot het net begint te zingen.
- Zoek de frequentie op de grafische of parametrische EQ van de monitorbus.
- Draai die 3–6 dB terug met een smalle Q. Niet meer — je gaat anders je monitor slopen.
- Draai verder omhoog tot de volgende frequentie gaat zingen. Herhaal 3 tot 5 keer.
- Zet daarna het volume 6 dB terug als veiligheidsmarge voor tijdens de show.
Meer dan 5 of 6 frequenties wegdraaien betekent dat het probleem ergens anders zit. Je bent dan bezig je monitor kapot te EQ'en in plaats van het probleem op te lossen. Ook: een zaal met publiek gedraagt zich anders dan een lege zaal — ringing out is een startpunt, geen garantie.
Grijp direct in met de fader of de master, niet met EQ-zoeken. Trek het niveau een paar dB terug zodat de lus stopt, en zoek pas daarna waar het vandaan kwam. Een piep van 110 dB kan gehoorschade veroorzaken bij het publiek én tweeters slopen.
Systeem-EQ en inregelen
De EQ op je kanalen is voor instrumenten. Er is ook een EQ voor het systeem: die corrigeert de speakers en de zaal, en die staat op de master of in de systeemprocessor.
Wel: brede afwijkingen door de zaal en de opstelling (bijvoorbeeld een berg laag doordat de
PA in een hoek staat), en het aanpassen aan een doelcurve.
Niet: elke kleine piek en dal uit een meting wegwerken. Veel van die pieken zijn
meetpuntafhankelijk of komen door reflecties — die corrigeer je op één plek goed en op alle andere
plekken fout. Meet daarom altijd op meerdere posities en middel.
Doelcurve
Een systeem dat perfect vlak is gemeten klinkt in een zaal te scherp. Daarom mik je op een licht aflopende curve, ook wel de “house curve” of X-curve genoemd: ongeveer vlak tot 1 kHz en daarna langzaam aflopend met zo'n 1 dB per octaaf, met wat extra energie onder 100 Hz voor popmuziek.
Meetgereedschap
- RTA (real-time analyzer) — laat het frequentiespectrum zien. Handig om snel te zien waar energie zit, en om feedbackfrequenties te vinden.
- Dual-channel FFT (Smaart, Systune, Open Sound Meter) — vergelijkt het uitgangssignaal met wat de meetmicrofoon opvangt. Geeft je amplitude, fase én coherentie. Dit is het gereedschap om systemen mee uit te lijnen.
- Meetmicrofoon — een omni condensator met een vlakke respons, geen zangmicrofoon.
• Cut smal, boost breed. Cutten is bijna altijd beter dan boosten.
• HPF op vrijwel elk kanaal.
• Los problemen op bij de bron (microfoon, opstelling) vóór je gaat EQ'en.
• Tegen feedback: eerst plaatsing en volume, dán pas EQ.
• Vergelijk altijd op gelijk volume en zet regelmatig bypass aan.