🎭 PodiumtechniekNaslagwerk licht & geluid

EQ & filters

Met een equalizer maak je frequenties harder of zachter. Het klinkt simpel, maar het is het gereedschap waarmee je een mix van “alles tegelijk” naar “alles op zijn plek” brengt. En het is je belangrijkste wapen tegen feedback.

Wat doet een EQ?

Een equalizer versterkt (boost) of verzwakt (cut) een bepaald frequentiegebied. Je verandert dus de klankkleur, niet de toonhoogte. Drie instellingen bepalen wat er gebeurt:

ParameterWat het regeltEenheid
FrequentieWáár je ingrijptHz / kHz
GainHoevéél je omhoog of omlaag gaatdB (meestal ±15 of ±18)
Q / bandbreedteHoe breed het gebied is dat meegaatQ-getal of octaven

Filtertypes

TypeWat het doetWaarvoor
Peak / bellBoost of cut rond één frequentie, klokvormigGericht ingrijpen: een resonantie weghalen, een instrument laten uitkomen
Low shelfAlles ónder een punt gelijkmatig omhoog of omlaagMeer of minder warmte in het algemeen
High shelfAlles bóven een punt omhoog of omlaagMeer lucht/glans, of de scherpte er af
High-pass (HPF / low cut)Laat hoog dóór, snijdt laag wegOp vrijwel élk kanaal: gerommel, plof, nabijheidseffect
Low-pass (LPF / high cut)Laat laag dóór, snijdt hoog wegSub-kanalen, ruis temmen, overspraak beperken
Band-passLaat alleen een middengebied doorTelefoon- en megafooneffect
NotchExtreem smalle, diepe cutFeedback wegdraaien, brom van 50 Hz weghalen

Filtersteilheid

Een high-pass filter snijdt niet als een mes; hij loopt af. Hoe snel, dat is de steilheid, uitgedrukt in dB per octaaf:

  • 6 dB/oct (1e orde) — heel geleidelijk
  • 12 dB/oct (2e orde) — de standaard op mengtafels
  • 18 en 24 dB/oct — steil, vooral in systeemprocessors
  • 48 dB/oct en meer — “brickwall”, in digitale crossovers

De opgegeven frequentie is het punt waar het filter 3 dB heeft weggenomen, niet waar het begint te werken. Een HPF op 100 Hz doet bij 200 Hz al een klein beetje.

Q en bandbreedte

Q is een getal dat aangeeft hoe smal je ingreep is. Hoog Q = smal, laag Q = breed.

Q en bandbreedte
Q = fmidden / bandbreedte
De bandbreedte is het gebied tussen de twee punten waar de ingreep nog maar half (−3 dB) zo sterk is.
Voorbeeld: een ingreep op 1000 Hz met een bandbreedte van 500 Hz heeft Q = 2.
Q≈ octavenKarakterGebruik
0,52,5Zeer breedAlgemene klankkleur, muzikaal boosten
11,4BreedBody geven of weghalen
20,7NormaalStandaard ingreep
40,35SmalÉén storende resonantie
100,14Zeer smalFeedback wegdraaien
30+0,05NotchBrom, exacte feedbackfrequentie
Vuistregel

Cut smal, boost breed. Iets weghalen doe je gericht met een hoge Q — dan hoor je alleen dat het probleem weg is. Iets toevoegen doe je juist breed met een lage Q, want een smalle boost klinkt onnatuurlijk en resoneert. En: een cut klinkt bijna altijd beter dan een boost, omdat je geen extra energie en dus geen extra feedbackrisico toevoegt.

Soorten equalizers

TypeKenmerkenWaar
Vast / fixedVaste frequenties, alleen gain regelbaarEenvoudige tafels, hoog en laag
Semi-parametrischFrequentie + gain regelbaar, Q vastMiddenbanden op kleine tafels
ParametrischFrequentie, gain én Q regelbaarDe standaard op elke serieuze tafel
GrafischVaste banden met schuiven, meestal 31 banden van ⅓ octaafMonitorwegen, zaal-EQ (analoog)
DynamischDe EQ werkt alleen als de frequentie boven een drempel komtDigitale tafels: sissende s'en, resonanties die alleen soms opduiken
Lineaire faseVerandert de fase niet, maar geeft vertragingMastering, systeemuitlijning
31 banden op een grafische EQ

Een 31-bands grafische EQ heeft banden van ⅓ octaaf, van 20 Hz tot 20 kHz. De standaardfrequenties zijn: 20 · 25 · 31,5 · 40 · 50 · 63 · 80 · 100 · 125 · 160 · 200 · 250 · 315 · 400 · 500 · 630 · 800 · 1k · 1,25k · 1,6k · 2k · 2,5k · 3,15k · 4k · 5k · 6,3k · 8k · 10k · 12,5k · 16k · 20k Hz. Deze rij herken je overal in de audio — ook op meetapparatuur.

Hoe je EQ't in de praktijk

De sweep-techniek: een probleem opzoeken

  1. Zet een band op een flinke boost (+10 dB) met een smalle Q.
  2. Draai langzaam de frequentie van laag naar hoog terwijl het instrument speelt.
  3. Op het punt waar het echt vervelend gaat klinken — daar zit je probleem.
  4. Draai de gain nu naar beneden (−3 tot −6 dB) en laat de frequentie staan.
  5. Zet de EQ even in bypass om te vergelijken. Is het écht beter geworden?

Praktische regels

  • Luister eerst, draai daarna. Weet wát je wilt veranderen voordat je iets aanraakt.
  • Vergelijk op gelijk volume. Boost je iets, dan wordt het harder, en harder klinkt altijd beter. Compenseer met de output.
  • EQ in context, niet in solo. Een gitaar die in solo prachtig klinkt, kan in de mix het hele middengebied dichtsmeren.
  • Ruimte maken in plaats van harder zetten. Zit de zang onder de gitaren? Haal 2–4 kHz weg bij de gitaren in plaats van de zang op te krikken.
  • Minder is meer. Als je bij elk kanaal 6 dB moet corrigeren, staat je microfoon verkeerd of klinkt de bron niet goed. Los het op bij de bron.
  • Bypass regelmatig. Je oor went binnen een minuut aan alles.

Frequentiekaart per instrument

Deze tabel is een startpunt, geen recept. Elk instrument, elke zaal en elke muzikant is anders.

BronGrondtonenVervelendAanslag / definitieTypische ingreep
Kickdrum50–100 Hz300–500 Hz (karton)2–5 kHz (beater)+60 Hz, −400 Hz, +4 kHz
Snare150–250 Hz800–1 kHz (blik)3–6 kHz (crack)HPF 120, +200, +5 kHz
Hi-hat500–1 kHz (klonterig)8–12 kHzHPF 300, +10 kHz
Toms80–250 Hz300–600 Hz4–6 kHzHPF 80, −400, +5 kHz
Overheads< 300 Hz (bak)10–15 kHzHPF 300, high shelf +2 dB
Basgitaar60–150 Hz200–400 Hz (wollig)700 Hz–1 kHz (vingers)+80, −300, +800
E-gitaar150–400 Hz300–500 Hz, 2–3 kHz (bijtend)2–4 kHzHPF 100, −400
Akoestische gitaar80–200 Hz150–250 Hz (boemerig)5–10 kHzHPF 100, −200, +8 kHz
Piano60 Hz–2 kHz300–500 Hz5–10 kHz−400, licht +8 kHz
Zang man100–250 Hz250–400 Hz (dof), 2,5–3,5 kHz (hard)3–6 kHzHPF 90, −300, +4 kHz
Zang vrouw180–400 Hz400–600 Hz, 6–9 kHz (sss)4–8 kHzHPF 120, de-esser 7 kHz
Spreekstem100–300 Hz200–400 Hz2–5 kHz (verstaanbaarheid)HPF 100, +3 kHz
Blazers150–800 Hz1–2 kHz (schetterend)5–8 kHzHPF 120, −1,5 kHz
Strijkers200 Hz–1 kHz2–4 kHz (kras)8–12 kHzHPF 150, −3 kHz

Van klachtwoord naar frequentie

Iemand zegt…Kijk rond…Doe…
“Modderig” / “drabbig”200–400 HzCut
“Kartonnig” / “dozig”300–600 HzCut
“Neuzelig” / “telefoon”800 Hz–1,5 kHzCut
“Hard” / “schreeuwerig”2–4 kHzCut
“Sissend”5–9 kHzDe-esser of cut
“Dun”100–250 HzBoost of HPF lager
“Doods” / “dof”3–8 kHzBoost
“Geen lucht”10–16 kHzHigh shelf boost
“Onverstaanbaar”2–5 kHz omhoog, 300 Hz omlaagBeide
“Boemt na”80–160 Hz, zaalresonantieSmalle cut

Feedback herkennen en wegdraaien

Feedback (rondzingen) ontstaat als geluid uit een luidspreker terugkomt in de microfoon, opnieuw versterkt wordt, er weer uit komt, enzovoort. Zodra de lus meer dan 1× versterking heeft bij een bepaalde frequentie, loopt hij op tot het systeem het niet meer aankan.

Eerst de oorzaak, dan de EQ

EQ is je laatste redmiddel. Deze maatregelen werken beter en kosten geen geluidskwaliteit:

  1. Microfoon dichter bij de bron — halveren van de afstand = 6 dB winst.
  2. Monitor in het dode punt van de richtkarakteristiek zetten.
  3. Speakers voor het microfoonvlak houden: PA-kasten horen vóór de microfoons te staan.
  4. Ongebruikte microfoons muten. Elke openstaande microfoon verlaagt je feedbackmarge met ongeveer 3 dB per verdubbeling van het aantal open mics.
  5. Minder monitorvolume of overstappen op in-ears.
  6. Reflecterende vlakken achter de zanger wegnemen (glazen deur, harde achterwand).
  7. Richtkarakteristiek van de microfoon veranderen (supernier in plaats van nier).

Wat piept er?

GeluidOngeveerTypische oorzaak
Doffe dreun / “woef”80–250 HzZaalresonantie, mic te dicht op de vloer, nabijheidseffect
Hol, kartonnig250–500 HzMic dicht bij een hard vlak
“Oeh”500 Hz–1 kHzMonitor te hard, opstelling
Scherpe piep1–4 kHzDe meest voorkomende feedback op wedges
Fluitje, heel hoog4–10 kHzTe veel hoog op de monitor, condensatormicrofoon

Ringing out: de monitor vooraf inregelen

  1. Zet alles klaar zoals tijdens de show: microfoon op zijn plek, wedge op zijn plek.
  2. Draai de monitorsend langzaam omhoog tot het net begint te zingen.
  3. Zoek de frequentie op de grafische of parametrische EQ van de monitorbus.
  4. Draai die 3–6 dB terug met een smalle Q. Niet meer — je gaat anders je monitor slopen.
  5. Draai verder omhoog tot de volgende frequentie gaat zingen. Herhaal 3 tot 5 keer.
  6. Zet daarna het volume 6 dB terug als veiligheidsmarge voor tijdens de show.
Let op

Meer dan 5 of 6 frequenties wegdraaien betekent dat het probleem ergens anders zit. Je bent dan bezig je monitor kapot te EQ'en in plaats van het probleem op te lossen. Ook: een zaal met publiek gedraagt zich anders dan een lege zaal — ringing out is een startpunt, geen garantie.

Als het gaat rondzingen tijdens een show

Grijp direct in met de fader of de master, niet met EQ-zoeken. Trek het niveau een paar dB terug zodat de lus stopt, en zoek pas daarna waar het vandaan kwam. Een piep van 110 dB kan gehoorschade veroorzaken bij het publiek én tweeters slopen.

Systeem-EQ en inregelen

De EQ op je kanalen is voor instrumenten. Er is ook een EQ voor het systeem: die corrigeert de speakers en de zaal, en die staat op de master of in de systeemprocessor.

Wat je wél en niet corrigeert

Wel: brede afwijkingen door de zaal en de opstelling (bijvoorbeeld een berg laag doordat de PA in een hoek staat), en het aanpassen aan een doelcurve.
Niet: elke kleine piek en dal uit een meting wegwerken. Veel van die pieken zijn meetpuntafhankelijk of komen door reflecties — die corrigeer je op één plek goed en op alle andere plekken fout. Meet daarom altijd op meerdere posities en middel.

Doelcurve

Een systeem dat perfect vlak is gemeten klinkt in een zaal te scherp. Daarom mik je op een licht aflopende curve, ook wel de “house curve” of X-curve genoemd: ongeveer vlak tot 1 kHz en daarna langzaam aflopend met zo'n 1 dB per octaaf, met wat extra energie onder 100 Hz voor popmuziek.

Meetgereedschap

  • RTA (real-time analyzer) — laat het frequentiespectrum zien. Handig om snel te zien waar energie zit, en om feedbackfrequenties te vinden.
  • Dual-channel FFT (Smaart, Systune, Open Sound Meter) — vergelijkt het uitgangssignaal met wat de meetmicrofoon opvangt. Geeft je amplitude, fase én coherentie. Dit is het gereedschap om systemen mee uit te lijnen.
  • Meetmicrofoon — een omni condensator met een vlakke respons, geen zangmicrofoon.
Onthoud

• Cut smal, boost breed. Cutten is bijna altijd beter dan boosten.
• HPF op vrijwel elk kanaal.
• Los problemen op bij de bron (microfoon, opstelling) vóór je gaat EQ'en.
• Tegen feedback: eerst plaatsing en volume, dán pas EQ.
• Vergelijk altijd op gelijk volume en zet regelmatig bypass aan.