Microfoons
De microfoon is het begin van je hele signaalketen. Wat je hier verpest, krijg je verderop nooit meer goed. Kies het juiste type, zet hem op de juiste plek, en de helft van je mixwerk is al gedaan.
Hoe werkt een microfoon?
Een microfoon zet luchtdrukverschillen om in een elektrische spanning. Er zit altijd een dun membraan in dat meetrilt met het geluid. De manier waarop die trilling in stroom wordt omgezet, bepaalt het type.
De drie hoofdtypes
1. Dynamische microfoon
Aan het membraan zit een spoeltje dat in een magneetveld heen en weer beweegt. Beweging in een magneetveld wekt spanning op — precies zoals een dynamo op een fiets, en precies zoals een luidspreker maar dan omgekeerd. Je kunt een dynamische microfoon letterlijk als klein luidsprekertje gebruiken.
| Voordelen | Nadelen |
|---|---|
| Kan enorme volumes aan (drums, gitaarversterkers) | Minder detail in het hoog |
| Robuust, mag vallen | Lagere gevoeligheid: meer gain nodig |
| Geen voeding nodig | Trager (zware spoel = trage reactie op transiënten) |
| Ongevoelig voor vocht en temperatuur | |
| Goedkoop |
Gebruik voor: zang op het podium, snare, tom, kick, gitaarcabinet, blazers dichtbij. Klassiekers: Shure SM58 (zang), SM57 (snare/gitaar), Beta 52 (kick), Sennheiser MD421, e906.
2. Condensatormicrofoon
Het membraan is één plaat van een condensator; op korte afstand staat een vaste tegenplaat. Als het membraan beweegt, verandert de afstand en daarmee de capaciteit — en dat levert een signaal op. Omdat een condensator een spanning nodig heeft om te werken en het signaal heel zwak is, zit er altijd een ingebouwde voorversterker in. Vandaar dat een condensatormicrofoon voeding nodig heeft (fantoomvoeding of een batterij).
| Voordelen | Nadelen |
|---|---|
| Veel detail, mooi hoog | Kwetsbaarder |
| Snel: pakt transiënten strak op | Heeft 48 V fantoomvoeding nodig |
| Hoge gevoeligheid: minder gain nodig | Gevoelig voor vocht en handling noise |
| Vlakke frequentierespons | Duurder; op het podium sneller feedback |
Gebruik voor: overheads, hi-hat, ride, akoestische gitaar, piano, koor, strijkers, ambient, podiumpresentatie met headset/lavalier. Klassiekers: Shure SM81, Neumann KM184, AKG C414, Rode NT5, DPA 4099.
Kleinmembraan (potloodmodel, ~½ inch): heel nauwkeurig, consistente richtkarakteristiek,
ideaal voor overheads en akoestische instrumenten.
Grootmembraan (~1 inch): meer “body” en lager eigen ruisniveau, wordt vooral in de
studio voor zang gebruikt.
3. Lintmicrofoon (ribbon)
Een flinterdun aluminium lintje hangt in een magneetveld. Technisch een dynamische microfoon, maar met een heel eigen karakter: warm, zacht in het hoog, en van nature achtvormig. Prachtig op blazers en gitaarcabinets, maar breekbaar.
48 V kan het lintje bij een klassieke ribbon vernielen. Moderne actieve ribbons hébben juist fantoom nodig — lees dus altijd het label. Blaas er ook nooit in en houd hem uit de wind.
Richtkarakteristieken
De richtkarakteristiek (polair patroon) beschrijft vanuit welke richtingen de microfoon geluid oppakt. Op een podium is dit je belangrijkste wapen tegen feedback.
| Patroon | Pakt op | Onderdrukt | Gebruik |
|---|---|---|---|
| Omni (bol) | Alles, uit alle richtingen gelijk | Niets | Zaalopname, meetmicrofoon, dasspeld |
| Nier (cardioid) | Vooral van voren | Achterkant (−20 tot −30 dB) | De standaard op elk podium |
| Supernier | Smaller van voren | Zijkant sterk, kleine lob achter | Luide podia, meer gain vóór feedback |
| Hypernier | Nog smaller | Zijkant maximaal, grotere lob achter | Drukke podia, blazers in een sectie |
| Acht (figure-8) | Voor én achter | Zijkanten volledig | Twee zangers op één mic, ribbons, M/S |
| Shotgun | Zeer smal vooruit | Bijna alles eromheen | Theater, film, ver van de bron |
Dit is de praktijkvraag bij richtkarakteristieken:
- Nier: dode punt recht achter de microfoon → monitor recht voor de zanger, achter de mic.
- Supernier / hypernier: dode punten op ongeveer 126° respectievelijk 110° — dus schuin achter. Zet dan twee monitors links en rechts schuin achter de zanger, niet één in het midden.
Zet je een supernier-microfoon boven een monitor die recht achter staat, dan gaat het rondzingen: daar zit namelijk juist een lob.
Specificaties lezen
| Spec | Wat het betekent | Waar let je op |
|---|---|---|
| Frequentiebereik | Welke frequenties hij oppakt, bijv. 50 Hz – 15 kHz | Zonder de ± dB-tolerantie zegt het weinig |
| Gevoeligheid | mV per pascal. Bijv. 1,6 mV/Pa (dynamisch) of 20 mV/Pa (condensator) | Hoger = minder gain nodig. Condensator zit ~10× hoger |
| Impedantie | Uitgangsweerstand, meestal 150–600 Ω | Sluit aan op een ingang van 1–3 kΩ |
| Max. SPL | Hoeveel geluidsdruk hij aankan voor hij vervormt | Op een kick heb je 140+ dB nodig |
| Eigenruis | Ruis van de microfoon zelf, in dB(A) | Onder 15 dB(A) is heel stil. Alleen relevant bij zachte bronnen |
| Pad / attenuator | Schakelaar die het signaal 10 of 20 dB verzwakt | Gebruiken bij zeer luide bronnen |
| Low cut / HPF | Ingebouwd hoogdoorlaatfilter, bijv. 75 of 100 Hz | Tegen gerommel, wind en nabijheidseffect |
Fantoomvoeding (+48 V)
Fantoomvoeding is 48 volt gelijkspanning die de mengtafel via dezelfde XLR-kabel naar de microfoon stuurt. Het heet “fantoom” omdat de spanning op pen 2 en pen 3 even hoog staat: voor het audiosignaal, dat juist het verschil tussen 2 en 3 is, bestaat die spanning niet.
| Apparaat | Fantoom? |
|---|---|
| Condensatormicrofoon | Ja, verplicht |
| Actieve DI-box | Ja (of batterij) |
| Dynamische microfoon | Niet nodig, maar schaadt niet bij een goede kabel |
| Passieve DI-box | Niet nodig |
| Klassieke lintmicrofoon | Nee — kan kapot |
| Lijnuitgang van een keyboard | Niet nodig; bij een defecte kabel riskant |
1. Zet de fader dicht voordat je fantoom aan- of uitzet: je krijgt een harde plof.
2. Nooit in- of uitpluggen terwijl fantoom aanstaat. Bij het inpluggen maken de pennen kort
na elkaar contact en kan er een spanningspiek ontstaan.
3. Zet fantoom alleen aan op de kanalen die het nodig hebben, niet globaal.
4. Werkt een condensatormicrofoon niet? Check in deze volgorde: fantoom aan → kabel → kanaal →
microfoon.
Plaatsing en de 3:1-regel
De plek van de microfoon doet meer voor je geluid dan welke EQ ook. Twee basisprincipes:
Dichtbij is beter
Hoe dichter bij de bron, hoe meer direct geluid en hoe minder zaal, overspraak en feedback. Halveer je de afstand tot de bron, dan win je 6 dB direct geluid — terwijl de monitors even hard blijven. Dat is 6 dB extra ruimte voor je gaat rondzingen.
Twee zangers, elk met een microfoon op 15 cm van de mond.
Hoek en positie
- Recht op de bron = meest hoog en detail.
- Schuin (off-axis) = zachter, minder hoog. Handig om iets minder scherp te maken zonder EQ.
- Op een luidsprekerkegel: in het midden van de conus is het scherpst, aan de rand warmer. Bij een gitaarcabinet schuif je de SM57 een paar centimeter naar buiten om hem minder bijtend te maken.
- Afstand tot een reflecterend vlak: hou minstens een halve meter afstand tot een harde vloer of muur, anders kamfiltert de reflectie mee.
Nabijheidseffect (proximity effect)
Alle microfoons met een richtkarakteristiek (dus alles behalve omni) krijgen meer laag naarmate je dichter bij de bron komt. Op 2 cm van je lippen kan dat oplopen tot +10 dB onder 200 Hz.
| Situatie | Gevolg | Wat doe je |
|---|---|---|
| Zanger “eet” de microfoon op | Bonkig, modderig, ploffend | Low cut op 100–120 Hz, EQ rond 200 Hz weg |
| Zanger houdt de mic ver weg | Dun, meer zaal, sneller feedback | Coachen op techniek, niet alleen gain bijdraaien |
| Zanger wisselt afstand | Het laag springt op en neer | Low cut + compressor |
| Radio-presentator wil warmte | — | Bewust dichtbij: het effect is dan gewenst |
Zet op vrijwel elk kanaal een hoogdoorlaatfilter: 80–100 Hz voor zang, 100–150 Hz voor gitaar en overheads, 200 Hz voor hi-hat. Laat hem alleen uit bij kick, bas, floortom en piano. Dat ruimt je hele mix op nog vóór je begint met EQ'en.
Microfoonkeuze per instrument
| Bron | Type | Plaatsing | Startpunt EQ |
|---|---|---|---|
| Leadzang podium | Dynamisch nier/supernier | 2–5 cm van de mond | HPF 100 Hz, dip 300 Hz, lift 3–5 kHz |
| Kickdrum | Dynamisch, hoge SPL | Door het gat, 10 cm binnen, iets naar het vel | Lift 60 Hz, dip 400 Hz, lift 3–4 kHz |
| Snare boven | Dynamisch (SM57) | 3–5 cm boven de rand, weg van de hi-hat | HPF 120 Hz, lift 200 Hz body, 5 kHz aanslag |
| Snare onder | Dynamisch | Op het snaarbed — polariteit omdraaien | HPF 200 Hz, lift 8 kHz |
| Hi-hat | Kleinmembraan condensator | 15 cm boven de rand, weg van de snare | HPF 300 Hz, dip 1 kHz |
| Toms | Dynamisch of clip-on | 5 cm boven de rand, 45° naar het midden | HPF 80–120 Hz, dip 400 Hz, lift 5 kHz |
| Overheads | 2× kleinmembraan condensator | Gelijke afstand tot de snare (meet met een kabel!) | HPF 300 Hz |
| Basgitaar | DI-box (+ evt. dynamisch op de cab) | DI vóór of ná de versterker | Dip 300 Hz, lift 80 Hz en 800 Hz |
| Gitaarversterker | Dynamisch (SM57 / e906) | Tegen het rooster, iets uit het midden | HPF 100 Hz, dip 400 Hz |
| Akoestische gitaar | Condensator of DI | Bij de 12e fret, 20 cm, niet op het gat | HPF 100 Hz, dip 200 Hz |
| Blazers | Dynamisch of condensator | 20–30 cm, iets naast de beker | HPF 120 Hz, temmen rond 2 kHz |
| Vleugel | 2× condensator | Boven de snaren, bas- en discantzijde | Weinig; HPF 60 Hz |
| Strijkers | Clip-on condensator | Op de brug of erboven | Temmen 2–4 kHz |
| Koor | 2–3 condensator, hangend | 1,5–2 m boven de eerste rij | HPF 100 Hz |
| Spreker / theater | Headset of dasspeld | Mondhoek, ~2 cm | HPF 100 Hz, de-esser |
Klassiekers die je gaat tegenkomen
| Model | Type | Bekend van |
|---|---|---|
| Shure SM58 | Dynamisch nier | De standaard zangmicrofoon wereldwijd. Onverwoestbaar. |
| Shure SM57 | Dynamisch nier | Snare en gitaarcabinet. Zelfde capsule als de 58, andere kap. |
| Shure Beta 58A | Dynamisch supernier | Zang met meer hoog en meer feedbackmarge. |
| Shure Beta 52A / AKG D112 | Dynamisch | Kickdrum. |
| Sennheiser e935 / e945 | Dynamisch nier / supernier | Zang, iets opener dan een 58. |
| Sennheiser MD421 | Dynamisch | Toms, blazers, gitaar. Herkenbaar aan de schuifschakelaar. |
| Sennheiser e906 | Dynamisch | Gitaarcabinet, hangt plat voor de speaker. |
| Shure SM81 / Rode NT5 | Condensator klein | Overheads, akoestische gitaar, hi-hat. |
| AKG C414 | Condensator groot | Alles; schakelbaar tussen 5 patronen. |
| DPA 4099 | Condensator clip-on | Strijkers, blazers, piano — clipt op het instrument. |
| Shure Beta 91A | Grensvlak condensator | In de kick, of op de vloer bij theater. |
DI-boxen
Een DI-box (Direct Injection) zet een ongebalanceerd, hoogohmig instrumentsignaal om in een gebalanceerd, laagohmig microfoonsignaal dat je over een lange XLR naar de tafel kunt sturen. Zonder DI vang je op een lange jackkabel brom en verlies je hoog.
| Passieve DI | Actieve DI | |
|---|---|---|
| Werking | Transformator | Elektronica + fantoom of batterij |
| Voeding | Geen | 48 V fantoom of 9 V batterij |
| Beste voor | Actieve bassen, keyboards, lijnsignalen, speakeruitgangen | Passieve bassen en gitaren met passieve elementen |
| Aanslagvermogen | Zeer hoog, kan luide signalen aan | Kan overstuurd raken |
| Geluid | Iets warmer, kan hoog verliezen | Neutraal, hogere ingangsimpedantie |
De knoppen op een DI-box
- Ground lift — koppelt de aarde van de XLR los. Dit is jouw eerste stap bij brom. Zie brom oplossen.
- Pad (−20 / −40 dB) — verzwakt het signaal. Nodig bij keyboards, laptops of als je een speakeruitgang aftakt.
- Thru / Link — parallelle jackuitgang zodat de muzikant zijn signaal óók nog naar zijn eigen versterker kan sturen.
- Merge — voegt links en rechts samen tot mono, bijvoorbeeld bij een keyboard dat je maar één kanaal wilt geven.
• Dynamisch = robuust en luid; condensator = detail en fantoomvoeding.
• De richtkarakteristiek bepaalt waar je monitors mogen staan.
• Dichterbij = 6 dB meer signaal per halvering van de afstand = minder feedback.
• 3:1-regel: microfonen minstens 3× zo ver uit elkaar als de afstand tot hun bron.
• Fantoom aan of uit? Fader dicht.