🎭 PodiumtechniekNaslagwerk licht & geluid

Microfoons

De microfoon is het begin van je hele signaalketen. Wat je hier verpest, krijg je verderop nooit meer goed. Kies het juiste type, zet hem op de juiste plek, en de helft van je mixwerk is al gedaan.

Hoe werkt een microfoon?

Een microfoon zet luchtdrukverschillen om in een elektrische spanning. Er zit altijd een dun membraan in dat meetrilt met het geluid. De manier waarop die trilling in stroom wordt omgezet, bepaalt het type.

GeluidMembraan triltOmzetting Kleine spanningVoorversterker

De drie hoofdtypes

1. Dynamische microfoon

Aan het membraan zit een spoeltje dat in een magneetveld heen en weer beweegt. Beweging in een magneetveld wekt spanning op — precies zoals een dynamo op een fiets, en precies zoals een luidspreker maar dan omgekeerd. Je kunt een dynamische microfoon letterlijk als klein luidsprekertje gebruiken.

VoordelenNadelen
Kan enorme volumes aan (drums, gitaarversterkers)Minder detail in het hoog
Robuust, mag vallenLagere gevoeligheid: meer gain nodig
Geen voeding nodigTrager (zware spoel = trage reactie op transiënten)
Ongevoelig voor vocht en temperatuur
Goedkoop

Gebruik voor: zang op het podium, snare, tom, kick, gitaarcabinet, blazers dichtbij. Klassiekers: Shure SM58 (zang), SM57 (snare/gitaar), Beta 52 (kick), Sennheiser MD421, e906.

2. Condensatormicrofoon

Het membraan is één plaat van een condensator; op korte afstand staat een vaste tegenplaat. Als het membraan beweegt, verandert de afstand en daarmee de capaciteit — en dat levert een signaal op. Omdat een condensator een spanning nodig heeft om te werken en het signaal heel zwak is, zit er altijd een ingebouwde voorversterker in. Vandaar dat een condensatormicrofoon voeding nodig heeft (fantoomvoeding of een batterij).

VoordelenNadelen
Veel detail, mooi hoogKwetsbaarder
Snel: pakt transiënten strak opHeeft 48 V fantoomvoeding nodig
Hoge gevoeligheid: minder gain nodigGevoelig voor vocht en handling noise
Vlakke frequentieresponsDuurder; op het podium sneller feedback

Gebruik voor: overheads, hi-hat, ride, akoestische gitaar, piano, koor, strijkers, ambient, podiumpresentatie met headset/lavalier. Klassiekers: Shure SM81, Neumann KM184, AKG C414, Rode NT5, DPA 4099.

Klein of groot membraan?

Kleinmembraan (potloodmodel, ~½ inch): heel nauwkeurig, consistente richtkarakteristiek, ideaal voor overheads en akoestische instrumenten.
Grootmembraan (~1 inch): meer “body” en lager eigen ruisniveau, wordt vooral in de studio voor zang gebruikt.

3. Lintmicrofoon (ribbon)

Een flinterdun aluminium lintje hangt in een magneetveld. Technisch een dynamische microfoon, maar met een heel eigen karakter: warm, zacht in het hoog, en van nature achtvormig. Prachtig op blazers en gitaarcabinets, maar breekbaar.

Nooit fantoomvoeding op een oude lintmicrofoon

48 V kan het lintje bij een klassieke ribbon vernielen. Moderne actieve ribbons hébben juist fantoom nodig — lees dus altijd het label. Blaas er ook nooit in en houd hem uit de wind.

Richtkarakteristieken

De richtkarakteristiek (polair patroon) beschrijft vanuit welke richtingen de microfoon geluid oppakt. Op een podium is dit je belangrijkste wapen tegen feedback.

PatroonPakt opOnderdruktGebruik
Omni (bol)Alles, uit alle richtingen gelijkNietsZaalopname, meetmicrofoon, dasspeld
Nier (cardioid)Vooral van vorenAchterkant (−20 tot −30 dB)De standaard op elk podium
SupernierSmaller van vorenZijkant sterk, kleine lob achterLuide podia, meer gain vóór feedback
HypernierNog smallerZijkant maximaal, grotere lob achterDrukke podia, blazers in een sectie
Acht (figure-8)Voor én achterZijkanten volledigTwee zangers op één mic, ribbons, M/S
ShotgunZeer smal vooruitBijna alles eromheenTheater, film, ver van de bron
Waar zet je je monitor?

Dit is de praktijkvraag bij richtkarakteristieken:

  • Nier: dode punt recht achter de microfoon → monitor recht voor de zanger, achter de mic.
  • Supernier / hypernier: dode punten op ongeveer 126° respectievelijk 110° — dus schuin achter. Zet dan twee monitors links en rechts schuin achter de zanger, niet één in het midden.

Zet je een supernier-microfoon boven een monitor die recht achter staat, dan gaat het rondzingen: daar zit namelijk juist een lob.

Specificaties lezen

SpecWat het betekentWaar let je op
FrequentiebereikWelke frequenties hij oppakt, bijv. 50 Hz – 15 kHzZonder de ± dB-tolerantie zegt het weinig
GevoeligheidmV per pascal. Bijv. 1,6 mV/Pa (dynamisch) of 20 mV/Pa (condensator)Hoger = minder gain nodig. Condensator zit ~10× hoger
ImpedantieUitgangsweerstand, meestal 150–600 ΩSluit aan op een ingang van 1–3 kΩ
Max. SPLHoeveel geluidsdruk hij aankan voor hij vervormtOp een kick heb je 140+ dB nodig
EigenruisRuis van de microfoon zelf, in dB(A)Onder 15 dB(A) is heel stil. Alleen relevant bij zachte bronnen
Pad / attenuatorSchakelaar die het signaal 10 of 20 dB verzwaktGebruiken bij zeer luide bronnen
Low cut / HPFIngebouwd hoogdoorlaatfilter, bijv. 75 of 100 HzTegen gerommel, wind en nabijheidseffect

Fantoomvoeding (+48 V)

Fantoomvoeding is 48 volt gelijkspanning die de mengtafel via dezelfde XLR-kabel naar de microfoon stuurt. Het heet “fantoom” omdat de spanning op pen 2 en pen 3 even hoog staat: voor het audiosignaal, dat juist het verschil tussen 2 en 3 is, bestaat die spanning niet.

ApparaatFantoom?
CondensatormicrofoonJa, verplicht
Actieve DI-boxJa (of batterij)
Dynamische microfoonNiet nodig, maar schaadt niet bij een goede kabel
Passieve DI-boxNiet nodig
Klassieke lintmicrofoonNee — kan kapot
Lijnuitgang van een keyboardNiet nodig; bij een defecte kabel riskant
Werkregels fantoomvoeding

1. Zet de fader dicht voordat je fantoom aan- of uitzet: je krijgt een harde plof.
2. Nooit in- of uitpluggen terwijl fantoom aanstaat. Bij het inpluggen maken de pennen kort na elkaar contact en kan er een spanningspiek ontstaan.
3. Zet fantoom alleen aan op de kanalen die het nodig hebben, niet globaal.
4. Werkt een condensatormicrofoon niet? Check in deze volgorde: fantoom aan → kabel → kanaal → microfoon.

Plaatsing en de 3:1-regel

De plek van de microfoon doet meer voor je geluid dan welke EQ ook. Twee basisprincipes:

Dichtbij is beter

Hoe dichter bij de bron, hoe meer direct geluid en hoe minder zaal, overspraak en feedback. Halveer je de afstand tot de bron, dan win je 6 dB direct geluid — terwijl de monitors even hard blijven. Dat is 6 dB extra ruimte voor je gaat rondzingen.

De 3:1-regel
afstand tussen 2 mics ≥ 3 × afstand mic-tot-bron
Gebruik je twee microfoons voor twee bronnen naast elkaar, zorg dan dat de onderlinge afstand minstens drie keer zo groot is als de afstand van elke microfoon tot zijn eigen bron. Zo komt het overspraaksignaal minstens 9–10 dB zachter binnen en krijg je geen hoorbare kamfiltering.
Voorbeeld

Twee zangers, elk met een microfoon op 15 cm van de mond.

Minimale onderlinge afstand = 3 × 15 cm
= 45 cm uit elkaar

Hoek en positie

  • Recht op de bron = meest hoog en detail.
  • Schuin (off-axis) = zachter, minder hoog. Handig om iets minder scherp te maken zonder EQ.
  • Op een luidsprekerkegel: in het midden van de conus is het scherpst, aan de rand warmer. Bij een gitaarcabinet schuif je de SM57 een paar centimeter naar buiten om hem minder bijtend te maken.
  • Afstand tot een reflecterend vlak: hou minstens een halve meter afstand tot een harde vloer of muur, anders kamfiltert de reflectie mee.

Nabijheidseffect (proximity effect)

Alle microfoons met een richtkarakteristiek (dus alles behalve omni) krijgen meer laag naarmate je dichter bij de bron komt. Op 2 cm van je lippen kan dat oplopen tot +10 dB onder 200 Hz.

SituatieGevolgWat doe je
Zanger “eet” de microfoon opBonkig, modderig, ploffendLow cut op 100–120 Hz, EQ rond 200 Hz weg
Zanger houdt de mic ver wegDun, meer zaal, sneller feedbackCoachen op techniek, niet alleen gain bijdraaien
Zanger wisselt afstandHet laag springt op en neerLow cut + compressor
Radio-presentator wil warmteBewust dichtbij: het effect is dan gewenst
Standaardinstelling

Zet op vrijwel elk kanaal een hoogdoorlaatfilter: 80–100 Hz voor zang, 100–150 Hz voor gitaar en overheads, 200 Hz voor hi-hat. Laat hem alleen uit bij kick, bas, floortom en piano. Dat ruimt je hele mix op nog vóór je begint met EQ'en.

Microfoonkeuze per instrument

BronTypePlaatsingStartpunt EQ
Leadzang podiumDynamisch nier/supernier2–5 cm van de mondHPF 100 Hz, dip 300 Hz, lift 3–5 kHz
KickdrumDynamisch, hoge SPLDoor het gat, 10 cm binnen, iets naar het velLift 60 Hz, dip 400 Hz, lift 3–4 kHz
Snare bovenDynamisch (SM57)3–5 cm boven de rand, weg van de hi-hatHPF 120 Hz, lift 200 Hz body, 5 kHz aanslag
Snare onderDynamischOp het snaarbed — polariteit omdraaienHPF 200 Hz, lift 8 kHz
Hi-hatKleinmembraan condensator15 cm boven de rand, weg van de snareHPF 300 Hz, dip 1 kHz
TomsDynamisch of clip-on5 cm boven de rand, 45° naar het middenHPF 80–120 Hz, dip 400 Hz, lift 5 kHz
Overheads2× kleinmembraan condensatorGelijke afstand tot de snare (meet met een kabel!)HPF 300 Hz
BasgitaarDI-box (+ evt. dynamisch op de cab)DI vóór of ná de versterkerDip 300 Hz, lift 80 Hz en 800 Hz
GitaarversterkerDynamisch (SM57 / e906)Tegen het rooster, iets uit het middenHPF 100 Hz, dip 400 Hz
Akoestische gitaarCondensator of DIBij de 12e fret, 20 cm, niet op het gatHPF 100 Hz, dip 200 Hz
BlazersDynamisch of condensator20–30 cm, iets naast de bekerHPF 120 Hz, temmen rond 2 kHz
Vleugel2× condensatorBoven de snaren, bas- en discantzijdeWeinig; HPF 60 Hz
StrijkersClip-on condensatorOp de brug of erbovenTemmen 2–4 kHz
Koor2–3 condensator, hangend1,5–2 m boven de eerste rijHPF 100 Hz
Spreker / theaterHeadset of dasspeldMondhoek, ~2 cmHPF 100 Hz, de-esser

Klassiekers die je gaat tegenkomen

ModelTypeBekend van
Shure SM58Dynamisch nierDe standaard zangmicrofoon wereldwijd. Onverwoestbaar.
Shure SM57Dynamisch nierSnare en gitaarcabinet. Zelfde capsule als de 58, andere kap.
Shure Beta 58ADynamisch supernierZang met meer hoog en meer feedbackmarge.
Shure Beta 52A / AKG D112DynamischKickdrum.
Sennheiser e935 / e945Dynamisch nier / supernierZang, iets opener dan een 58.
Sennheiser MD421DynamischToms, blazers, gitaar. Herkenbaar aan de schuifschakelaar.
Sennheiser e906DynamischGitaarcabinet, hangt plat voor de speaker.
Shure SM81 / Rode NT5Condensator kleinOverheads, akoestische gitaar, hi-hat.
AKG C414Condensator grootAlles; schakelbaar tussen 5 patronen.
DPA 4099Condensator clip-onStrijkers, blazers, piano — clipt op het instrument.
Shure Beta 91AGrensvlak condensatorIn de kick, of op de vloer bij theater.

DI-boxen

Een DI-box (Direct Injection) zet een ongebalanceerd, hoogohmig instrumentsignaal om in een gebalanceerd, laagohmig microfoonsignaal dat je over een lange XLR naar de tafel kunt sturen. Zonder DI vang je op een lange jackkabel brom en verlies je hoog.

Passieve DIActieve DI
WerkingTransformatorElektronica + fantoom of batterij
VoedingGeen48 V fantoom of 9 V batterij
Beste voorActieve bassen, keyboards, lijnsignalen, speakeruitgangenPassieve bassen en gitaren met passieve elementen
AanslagvermogenZeer hoog, kan luide signalen aanKan overstuurd raken
GeluidIets warmer, kan hoog verliezenNeutraal, hogere ingangsimpedantie

De knoppen op een DI-box

  • Ground lift — koppelt de aarde van de XLR los. Dit is jouw eerste stap bij brom. Zie brom oplossen.
  • Pad (−20 / −40 dB) — verzwakt het signaal. Nodig bij keyboards, laptops of als je een speakeruitgang aftakt.
  • Thru / Link — parallelle jackuitgang zodat de muzikant zijn signaal óók nog naar zijn eigen versterker kan sturen.
  • Merge — voegt links en rechts samen tot mono, bijvoorbeeld bij een keyboard dat je maar één kanaal wilt geven.
Onthoud

• Dynamisch = robuust en luid; condensator = detail en fantoomvoeding.
• De richtkarakteristiek bepaalt waar je monitors mogen staan.
• Dichterbij = 6 dB meer signaal per halvering van de afstand = minder feedback.
• 3:1-regel: microfonen minstens 3× zo ver uit elkaar als de afstand tot hun bron.
• Fantoom aan of uit? Fader dicht.