🎭 PodiumtechniekNaslagwerk licht & geluid

PA-systemen

Een PA opbouwen is niet “kasten neerzetten en aanzetten”. Het gaat om dekking: iedereen in de zaal moet ongeveer hetzelfde horen. Daar zijn regels en rekensommen voor.

Wat een PA moet doen

PA staat voor Public Address. Drie doelen, in deze volgorde:

  1. Dekking — iedereen hoort het, ook achterin en op het balkon.
  2. Gelijkmatigheid — het verschil tussen de eerste en de laatste rij is klein (streef naar minder dan 6–10 dB).
  3. Verstaanbaarheid en klank — genoeg direct geluid ten opzichte van de nagalm.
Direct geluid versus nagalm

In een zaal hoor je twee dingen: het directe geluid uit de speaker en het nagalmveld van de zaal. De afstand waarop die twee even hard zijn heet de galmstraal. Zit je publiek daarbuiten, dan helpt harder zetten niet — je verhoogt dan alleen de galm mee. De oplossing is meer richting (smallere kasten, arrays) of speakers dichterbij het publiek (delaytorens).

Galmstraal (kritische afstand)
rc ≈ 0,141 × √(Q × A)
Q = richtingsfactor van de luidspreker (hoe smaller, hoe hoger) · A = totale absorptie van de zaal in m² sabin.
Praktisch: hoe meer richting je speaker heeft, hoe verder je kunt komen voordat de zaal het overneemt.

Opstellingen

OpstellingWanneerLet op
Stereo links/rechtsDe standaard bij muziekshowsAlleen het midden van de zaal hoort echt stereo; mix belangrijke dingen in mono
Mono met centerclusterSpraak, theater, conferentieBeste verstaanbaarheid, iedereen hoort hetzelfde
L/C/RMusical, theaterZang in het midden (bij het beeld), muziek links/rechts
Gestapeld (ground stacked)Geen hijspunten, kleine podiaSlechte dekking achterin, publiek vooraan blokkeert het geluid
Gevlogen (flown)Bijna altijd beterVereist rigging en belastingberekening
GedistribueerdLage plafonds, brede ruimtes, installatiesVeel kleine speakers, allemaal in de tijd uitgelijnd
Speakers vóór de microfoons

Dit is de belangrijkste vuistregel bij de opstelling: het akoestische centrum van de PA moet vóór de microfoons staan. Staat de PA achter de zangers, dan zingt het gegarandeerd rond. Bij een gestapelde opstelling betekent dat: kasten aan de rand van het podium of ervoor, nooit erachter.

Line array

Een line array is een verticale rij kasten die zó dicht op elkaar staan dat ze zich samen gedragen als één lange bron. Dat levert twee grote voordelen op:

  • Minder afval over afstand. In het nabije veld gedraagt een lijnbron zich als een cilinder in plaats van een bol: ongeveer −3 dB per verdubbeling van de afstand in plaats van −6 dB. Het verschil tussen voorste en achterste rij wordt daardoor veel kleiner.
  • Sturing. Door de kasten onderling in een hoek te zetten (“splay”) richt je het geluid precies op het publiek en niet op het plafond of de zijmuren.
Hoe je een array hangt

De bovenste kasten staan bijna vlak en gaan naar achteren in de zaal (het verste publiek, dus de minste hoek tussen de kasten). Naar beneden toe worden de hoeken tussen de kasten steeds groter, omdat het publiek daar dichterbij is en over een grotere hoek verspreid zit. De onderste kasten “kijken” recht naar beneden op de eerste rijen.

Fabrikanten leveren prediction software (Soundvision, MAPP, Ease Focus, ArrayCalc) waarin je de zaal intekent en de hoeken laat berekenen. Gebruik dat altijd — met de hand gokken werkt niet.

BegripBetekenis
Splay angleDe hoek tussen twee opeenvolgende kasten in de array
Trim heightDe hoogte waarop het bovenste punt van de array hangt
Down-tiltHoe ver de hele array naar voren/beneden gekanteld staat
Bumper / frameHet hijsframe bovenin waaraan de array hangt
Pull-backExtra takel achterop het frame om de kantelhoek te regelen
Nabije veldHet gebied waarin de array zich als lijnbron gedraagt (−3 dB per verdubbeling)
Rigging van een array

Een array van 12 kasten weegt zomaar 500–800 kg, en die last hangt vaak aan twee punten met een extra kracht op de pull-back. Dit is geen “even ophangen”: dit hoort bij een gecertificeerde rigger, met een berekening en gekeurde hijsmiddelen. Zie Rigging & truss.

Subwoofers plaatsen

Subs gedragen zich anders dan tops omdat hun golflengte zo groot is (8–17 m). Ze zijn vrijwel omnidirectioneel: ze stralen bijna evenveel naar achteren als naar voren. Waar je ze zet bepaalt dus enorm veel.

OpstellingEffect
Links en rechts gestapeldKlassiek. Nadeel: power alley — in het midden tellen de subs op (+6 dB) en op andere plekken doven ze elkaar uit. Je krijgt strepen van hard en zacht door de zaal
Gecentreerd (midden)Beste gelijkmatigheid, geen power alley. Kan alleen als er ruimte is in het midden
Rij over de hele breedteZeer gelijkmatig links-rechts, smalle spreiding. Op festivals gebruikelijk
Boogvorm (arc)Bredere spreiding dan een rechte rij
GevlogenBetere dekking over de diepte, minder laag in de eerste rijen
Gratis versterking van de vloer

Zet je een sub op een harde vloer, dan werkt die vloer als spiegel en krijg je ongeveer +3 tot +6 dB gratis (“half space loading”). Zet je hem ook nog in een hoek, dan komt daar nog eens winst bij, maar meestal ook een zaalresonantie. Een gevlogen sub verliest die winst weer.

Cardioid subopstellingen

Subs stralen ook naar achteren — recht het podium op. Dat geeft een modderig podiumgeluid, ruzie met de monitors en klachten van de buren. Met een cardioid opstelling maak je van omnidirectionele subs een gerichte bron met 15–25 dB minder energie naar achteren.

End-fire

Twee of meer subs achter elkaar in de looprichting, met een onderlinge afstand die overeenkomt met een kwart golflengte van de doelfrequentie. De achterste sub krijgt een delay gelijk aan de looptijd van die afstand. Naar voren tellen ze op, naar achteren doven ze uit.

Afstand en delay bij end-fire
afstand = 343 / (4 × f)     delay = afstand / 343
Voor 60 Hz: afstand = 343 / 240 = 1,43 m → delay = 1,43 / 343 = 4,2 ms op de achterste sub.

Gradient / omgedraaide sub

Eén sub staat achterstevoren (naar het podium gericht) en krijgt een polariteitsomkeer plus een delay. Naar achteren doven de twee elkaar uit. Werkt goed en kost weinig ruimte, maar je levert wat vermogen naar voren in.

Veel moderne subs hebben een cardioid preset in de DSP waarbij je gewoon drie kasten in een vast patroon zet (bijvoorbeeld twee naar voren, één naar achteren) en de fabrikant de rest doet.

Delayspeakers en fills

Is de zaal te diep voor je hoofdsysteem, dan zet je extra speakers verderop. Die moeten vertraagd worden, anders komt hun geluid eerder aan dan dat van het podium en klinkt alles dubbel.

Delaytijd berekenen
t (ms) = afstand (m) / 343 × 1000   ≈   afstand × 2,9
Meet de afstand tussen het hoofdsysteem en de delayspeaker. Reken uit hoeveel milliseconden het geluid daarover doet. Stel dat als delay in op de delayspeaker en tel er 5 tot 15 ms bij op.
Voorbeeld: delaytoren op 40 meter
t = 40 / 343 × 1000 = 116,6 ms
+ 10 ms Haas-marge
Zet de delay op ongeveer 127 ms

Door die extra 10 ms komt het geluid van het podium nét eerder aan, en lokaliseert het publiek de bron nog steeds op het podium — het Haas-effect. Zonder die marge hoor je de toren als aparte bron.

Temperatuur verandert je delaytijd

Stel je de delaytoren 's middags in bij 15 °C (340 m/s) en is het 's avonds 25 °C (346 m/s), dan klopt je tijd niet meer. Over 40 meter scheelt dat al 2 ms. Controleer bij buitenshows aan het begin van de avond opnieuw.

Fills

TypeWaarvoor
Front fillKleine kasten op de podiumrand voor de eerste rijen, die onder de array door vallen
Out fill / side fillExtra dekking aan de zijkanten van de zaal
In fillVult het midden bij een brede stereo-opstelling
Balcony fill / under balconyOnder een balkon komt het hoofdsysteem niet; aparte speakers met delay
Delay stack / torenVerder de zaal of het terrein in

Systeem uitlijnen

Uitlijnen (alignment) betekent zorgen dat alle onderdelen van je systeem op de juiste tijd en in fase samenwerken. Dit doe je met een dual-channel FFT-meetsysteem (Smaart, Systune, Open Sound Meter) en een meetmicrofoon.

  1. Controleer polariteit van alle kasten en wegen.
  2. Meet elke bron apart: hoofdsysteem, subs, fills.
  3. Bepaal de aankomsttijd van elke bron op het meetpunt (delay finder).
  4. Stel de delays in zodat alles gelijk aankomt op de plek waar de bronnen overlappen.
  5. Controleer de fase in het overgangsgebied (crossover-gebied) — daar moet de fase van beide bronnen op elkaar liggen, anders krijg je een dip of een piek.
  6. Meet op meerdere plekken en middel; corrigeer alleen wat overal terugkomt.
  7. Zet de EQ op een doelcurve, met brede ingrepen.
  8. Luister met muziek die je heel goed kent. De meting is een hulpmiddel, je oor beslist.
De sub/top-overgang

Het lastigste punt in elk systeem is de overgang tussen subs en tops, meestal rond 80–100 Hz. Subs staan op de grond, tops hangen — dus hun geluid legt een verschillende afstand af naar het publiek. Lijn ze uit met delay op de subs of de tops, en controleer de polariteit: soms klinkt het met de sub omgekeerd juist voller. Meten, niet gokken.

Monitoring op het podium

TypeVoordelenNadelen
Wedge (vloermonitor)Iedereen kan ermee overweg, geen extra spullenFeedbackrisico, hard podium, lekt in de zaalmix en in de microfoons
Side fillDekt het hele podium, goed voor blazers en koorVeel geluid op het podium
Drum fillSub + top voor de drummerZwaar, lekt in de overheads
In-ear (IEM)Stil podium, eigen mix, veel minder gehoorbelasting, geen feedbackMuzikanten voelen zich afgesloten; vraagt een goede mix en ambient-mics
In-ears altijd met limiter

Zie Limiter. Een kortsluiting, feedback of een omgevallen microfoonstandaard gaat bij in-ears rechtstreeks het oor in.

Werkvolgorde bij de opbouw

  1. Bekijk de zaal en de tekening. Waar zit het publiek, waar zijn de hijspunten, waar staat FOH, waar is de stroom?
  2. Stroom eerst. Verdelers plaatsen, aarding controleren, zie Elektra.
  3. Rigging. Punten prikken, motoren hangen, truss opbouwen — samen met licht.
  4. Speakers hangen of stapelen. Safeties er altijd op.
  5. Subs plaatsen en meteen goed neerzetten; ze verplaatsen als alles staat is een drama.
  6. Kabels leggen: multikabel naar het podium, speakerlijnen, netwerk. Netjes, in de looproutes afgeplakt of in kabelgoten.
  7. Tafel en racks opbouwen op FOH en monitor.
  8. Signaal testen vóór volume: kanaal voor kanaal, met een luisterkoptelefoon.
  9. Systeem testen op laag volume, op polariteit en op kanaalindeling (staat links echt links?).
  10. Meten en uitlijnen, EQ zetten.
  11. Line check met de band, dan soundcheck.
Onthoud

• PA vóór de microfoons, altijd.
• Line array: −3 dB per verdubbeling in het nabije veld; puntbron −6 dB.
• Delayspeaker: afstand × 2,9 ms + 5–15 ms Haas-marge.
• Subs links/rechts geeft power alley; midden of in een rij is gelijkmatiger.
• Meet altijd op meerdere plekken en corrigeer alleen wat overal terugkomt.